De processen waar iedere topsporter mee te maken krijgt
-
Tim Koning
Hoe kan het dat harder werken je op een bepaald punt verder van jezelf af brengt? Over de controle die je zo ver bracht en daarna je grootste obstakel wordt. Met lessen van Nadal, Phelps en Scheffler, en uit mijn eigen praktijk.
Inhoudsopgave
Het proces, altijd dat verdomde proces
In 2015 en 2016 leek de carrière van Rafael Nadal aan een zijden draadje te hangen en niet voor de eerste keer. Een lichaam dat steeds vaker allerlei signalen aangaf: genoeg is genoeg. Later vertelde hij dat hij eraan dacht te stoppen en dat het jaren waren waarin hij niet meer kon controleren wat hij zijn hele leven heeft gepoogd te controleren.
Wat hem eruit haalde, was het tegenovergestelde: toegeven, luisteren en stilstaan. Eind 2016 liet hij een frisse blik toe in zijn vertrouwde kring, Carlos Moya. Hij veranderde zijn spel, zijn bekende weg naar succes en hij liet de verkramping los waarmee hij zich eruit probeerde te vechten. In 2017 voerde hij de ranglijst weer aan, tegen alle verwachtingen in. En belangrijker: de lach op zijn gezicht was terug, alsof het tennis aan hem was teruggegeven. Dat Nadal zijn weg een lijdensweg is geweest is een understatement, dat hij ook andere paden ging onderzoeken is bewonderingswaardig te noemen, dergelijke fundamentele patronen aanvliegen vergt een hoop reflectie en tijd.
De overblijfselen van zijn routinematige handelen zaten er nog steeds heel diep in geslepen, maar ik durf te geloven dat het ook een andere betekenis kreeg. Misschien denk je: bij mij was er nooit zo’n moment, geen blessure, geen kantelpunt. En juist daar gaat dit stuk over.
Home » De processen waar iedere topsporter mee te maken krijgt
Waarom schrijf ik dit?
Ik schrijf dit niet om je te ontleden of om een probleem in je aan te wijzen, maar omdat ik dit patroon keer op keer tegenkom en het herkennen ervan op zichzelf al lucht kan geven. Ik ben al maanden bezig met het schrijven van dit artikel (?) en het ging op en neer. Wat wil ik overbrengen en aan wie? En waarom? Wat is mijn ‘doel’? En pas toen ik die vragen losliet, het artikel even liet voor wat het was, vielen de puzzelstukjes die al langer ronddwarrelden in mijn (onder)bewuste samen. Het is eenzelfde mechanisme, in een ander jasje. Het gaat over de veel kleinere, subtielere bewegingen die jij misschien herkent. Het pad dat je succes bracht en waarin ogenschijnlijk niets scheurt, geen momentopname terug te halen is waarop alles veranderde. En toch verschoof er door de jaren heen aan de binnenkant iets. Het euforische gevoel na de winst voelt doffer, de vragen of je het nog wel wil, het allemaal nog waard vindt, komen steeds vaker terug in je gedachten. De speelsheid die je kende, ken je enkel nog als je foto’s terugziet en rust, dat is een ver van je bed show. Rust moet vooral iets opleveren, het forceren, harder werken en doelgerichtheid, hebben je ‘zijn’ volledig overgenomen en daarmee is hetgeen waar je op jaagt het enige dat nog telt, de rest is ruis.
Het sluipt erin, hoe zijn we hier beland?
En in de eerste fase probeer je op zoek te gaan, wat is er nou aan de hand? En waarom voel ik me zo? En je komt al vrij snel tot de conclusie dat er geen moment is dat je kunt aanwijzen wat hiervoor heeft gezorgd. Geen grote blessure, geen enorme afwijzing, geen ochtend waarop je wakker wordt en voelt: er is iets veranderd in mij. Het is een proces, dat jarenlang functioneert en draait en wat in de eerste jaren vooral succes brengt. En dat is precies de reden waarom je het zo moeilijk ziet, ook bij jezelf.
Het groeit in momenten die wekelijks terugkomen; de training die je afmaakt terwijl je lijf allang stop zei; de twijfel die je wegdrukt; de overwinning die je afvinkt omdat het hoort, terwijl je vanbinnen nauwelijks iets voelt; de blikken van anderen op het moment dat je je eigen mening laat horen; de momenten waarop je afgerekend wordt voor de fouten die je maakt en die transformeren naar ‘iets niet meer doen want dan kan het ook niet fout gaan’. Eén zo’n moment stelt op zichzelf nog weinig voor, samen hollen ze iets uit dat je maar moeilijk kunt aanwijzen, maar pas gaat merken als het succes uitblijft. Tot je op een dag juist niet meer voelt en dat is het punt waarop het al heel diep zit.
Door de jaren heen heb ik in ieder geval vier patronen ontdekt; Twee laten zien hoe het ontstaat: pijn uitsluiten en all-in gaan terwijl de andere twee laten zien hoe het zichzelf in stand houdt: het proces als doel en de spiraal van verwachtingen.
#1 Pijn uitsluiten is het enige dat telt
Als er één doelgroep is die van jongs af aan al leert dat pijn en emoties buitengesloten moeten worden, dan zijn het talenten / topsporters (in wording). De fysieke, mentale en emotionele pijn wordt vroeg in de kiem gesmoord, door een ander en door jezelf. De meest voorkomende gedachte hierbij die ze met mij delen: ‘ik dacht dat het erbij hoorde, iedereen deed het zo, ik heb er nooit bij stilgestaan: ik deed wat me werd opgedragen.’ De andere boodschap? Dat ‘negatief gelabelde’ emoties als verdriet, boosheid en angst niet welkom zijn, ze belemmeren je prestaties dus beter stop je ze weg.
Boos op de baan: laat het vooral niet zien; het is onsportief of je speelt je tegenstander in de kaart.
Verdrietig na afloop? Er zijn ergere dingen in de wereld, wat stel (jij) ik (je)me aan zeg, dit helpt me al helemaal niet.
En, niet te vergeten, angst. Don’t let fear get to you: afleiding zoeken, ademhalingsoefeningen doen zonder de kern aan te pakken, negatieve gedachten proberen om te buigen terwijl je daardoor vooral een verloren ping-pong wedstrijd in je hoofd aan het spelen bent. Hoe harder je de angst buitensluit, hoe meer controle het over jou krijgt. Angst zoekt altijd iets om zich aan vast te klampen.
En dan is er nog de mythische lijdensweg, die ook Nadal beschrijft en met hem vele andere atleten. Social media staat er bol van. Waarbij lijden iets heroïsch heeft, een overwinning nog zoeter maakt en jou daadwerkelijk onderscheid van anderen: die dat niet kunnen. En daarin wordt pijn lijden een doel op zich.
Het zijn strategieën die in het hier en nu ook helpend kunnen zijn, maar aan het einde van de rit vooral jouw lichaam en emoties het gevoel geven: ik mag er niet zijn; ik heb geen functie en zo bouwt, laagje voor laagje, de pijn van deze emoties zich in jou op. Tot het punt dat het niet meer te houden valt en dat is 9/10 het geval als er een onverwachte afwijzing, fikse blessure of langdurige leegte (als gevolg van bovenstaande) wordt gevoeld.
Topsport leert je dus ook, vaak vroeg, dat je lichaam het middel is. Harder, sneller, scherper. Pijn is informatie die je negeert als je sterk genoeg bent, vermoeidheid is een drempel die je overschrijdt als je wilt winnen, emotie is ruis. Een deel van die pijn (vaak fysiek) leer je inderdaad negeren, het risico is dat je het onderscheid verliest tussen pijn die je kunt overschrijden en pijn die je iets te leren heeft.
Maar je lichaam is ook en dit is misschien wel het meest wezenlijke wat ik in mijn werk ben tegengekomen: de enige plek waar jij bestaat (letterlijk bedoeld uiteraard). Aanwezigheid is een lichamelijke ervaring: betekenis wordt gevoeld voordat ze wordt gedacht. Zolang je je lichaam enkel als gereedschap gebruikt en de signalen leert dempen, snijd je jezelf af van de enige plek waar je echt thuis kunt komen. Pijn & liefde zijn twee kanten van dezelfde medaille, stop je de ene weg, dan zul je de andere ook niet meer gaan voelen en blijft er uiteindelijk een leeg gevoel over. Het zijn de topsporters die woorden als leegte, gebrek aan plezier en minder zin in de training beschrijven. Dat dempen is ook een vorm van opgeven: op dat moment voel je de signalen niet meer.
#2 All-in gaan moet iets opleveren
Als er één moment in een carrière van een topsporter is dat meer aandacht mag krijgen, is het wel dit: het moment dat ‘het talent’ besluit om fulltime voor zijn/haar sport te gaan. Dit is, weet ik nu, het moment dat er aan de binnenkant fundamenteel iets verschuift en daarmee het begin is van de intensivering van de eerdergenoemde patronen.
Het vraagt dus iets van alle betrokkenen, of zoals Henno Oldenbeuving mij ooit de uitspraak leerde: ‘In deze cruciale fase dienen we nog als wandelende pre-frontale cortex voor jonge sporters.’ We mogen dus kritisch kijken naar wanneer deze stap gemaakt kan worden, dat verschilt per individu, per sport en hangt ook af van de afhankelijkheidspositie van de jonge sporter binnen en buiten het gezin en het systeem. Het zijn factoren die vaak met een aantal check-vragen (of niet eens) worden afgedaan. Welk kind wil dit nou niet? Het is toch een droom dat je dit mag / kan? De impact ervan onderschatten we tot de dag van vandaag in vele opzichten. Hier wordt de basis gevormd voor de rest van hun carrière. Gaat het voortvarend, dan is de impact mogelijk minder (zeker als hevige tegenslagen uitblijven), blijft resultaat echter uit, dan is het ook het begin van een lange en slopende weg, die vaak gepaard gaat met kleine pijntjes, harder werken en mentale & emotionele uitdagingen. Als jonge sporter kun je onmogelijk voorbereid zijn op wat er allemaal op je pad komt. Juist daarom zou mentale begeleiding die vanaf het begin meeloopt, preventief in plaats van reactief, zoveel kunnen betekenen.
#3 Verwachtingen, druk en spanning
Na het all-in gaan, worden de verwachtingen, de druk en de spanning alleen maar groter. Als er dan geleerd is om emoties weg te drukken en je jezelf enkel afmeet aan je resultaten (wordt er nog een andere vraag op familie-verjaardagen aan je gesteld?), of je goed genoeg bent of je best doet, dan kom je vast te zitten in drijfzand. Hoe harder je gaat werken, hoe meer je jezelf, onbewust, onbedoeld en vaak onopgemerkt vastzet, samengevat en in het Engels is dat nog krachtiger: we narrow & cement. En voor sommigen komt daar de druk van sponsoren nog bovenop.
Het beeld dat er van je heerst of wat je jezelf hebt aangemeten, moet worden bevestigd en je zal er alles aan doen om dat waar te maken. Het zorgt er ook voor dat als je iets behaalt wat je verwacht, geen euforie of trots meer voelbaar is, je hoort het terug in kleine woorden: normaal, eigenlijk, gewoon, woorden die vaak refereren aan: hoe het hoort te zijn. Dat betekent niet dat je ondankbaar bent; het is wat er gebeurt zodra de lat de vreugde overschrijft. Je maakt onbewust een vergelijking in je hoofd en als je die maar vaak genoeg afspeelt of jezelf daaraan herinnert, hoe moeilijker het wordt om echt nog blij te zijn met een bepaald resultaat. Andersom, voelt elk resultaat dat daar niet aan voldoet, als een teleurstelling, als falen waarmee het stemmetje dat initieel twijfel influisterde, steeds luider wordt. En daarmee is het zwart/wit denken volgroeid tot de default modus van jouw brein, waarin er continu een pingpong wedstrijd in jouw hoofd plaatsvindt. Je wint of verliest, je hoort hier of je hebt hier niets te zoeken, het is goed of het is fout.
Je raakt steeds verder verwijderd van jezelf, van waarom je ooit begonnen bent en mist de introspectie om het te zien bij jezelf. En als je het al ziet, wuif je het liever weg: die confrontatie aangaan, staat gelijk aan verliezen. En hoe minder vrij je je voelt om te luisteren naar wat je echt wil.
#4 Het proces wordt een doel op zich
In mijn praktijk is dit wellicht één van de meest voorkomende uitspraken, de topsporter die deelt ‘zich op het proces te focussen’, zijn doelen verkleint, alleen naar morgen kijkt, maar het intussen als hefboom gebruikt om het resultaat alsnog af te dwingen (ik deed het jaren zelf). Het verraderlijke: van buiten ziet het er volwassen en gezond uit. Maar als je deze strategieën inzet om jouw resultaten te verbeteren, is het niks anders dan een vermomming van hetzelfde. In essentie hou je jezelf voor de gek en verstevig je het verstikkende patroon.
Een proces is pas een proces als je je kan verzoenen met een onbekende uitkomst. In de afgelopen jaren heb ik veel kennis en ervaringen op mogen doen via het lichaamsgericht werken, systemisch werken en heb ik mij verdiept in de filosofie van Tao.
Een aantal van deze lessen beschrijf ik in mijn boek Improve.
Onder dit alles ligt een vraag waar het systeem nog te weinig ruimte voor maakt: wie ben ik als ik dit niet ben? Als je identiteit al zo vroeg gaat leunen op één beeld van jezelf, dan is het haast onmogelijk om deze patronen voor te zijn.
En daar komen de patronen samen bij mij in de praktijk, zonder dat ze dergelijke inzichten of kennis tot zich hebben kunnen nemen. ‘Ik ben het kwijt, ik presteer al lange tijd niet meer op mijn niveau, hoe fix ik mezelf? Hoe kan ik zo snel mogelijk weer presteren?’ Dat vraagt, zeker toen ik 8-9 jaar geleden nog beginnend sportpsycholoog was, een bepaalde mate van kalmte in jezelf. Voorheen ging ik erin mee en hielp ik ogenschijnlijk de ander, vanuit dezelfde destructieve patronen en op de korte termijn bevestigde ik vooral mezelf: ‘Dat heb ik goed gezien’. Aangezien ik dit te vaak en te veel heb gezien en gehoord, weet ik inmiddels beter. Het is een dubbele self-fulfilling prophecy loop die moeilijk te doorgronden is.
De leegte na succes
Wellicht herken je jezelf of een ander in een aantal van deze patronen, wellicht denk je: wat een stellige uitspraken, welk bewijs is er nou? Luister dan ook even mee naar de best presterende mensen ter wereld. Scottie Scheffler, nummer één van de wereld, zei in 2025 vlak voordat hij het Brits Open won: ‘als ik win, is het ongeveer twee minuten geweldig’. Het is vervullend als prestatie, zei hij, maar niet op de diepste plek van je hart. Hij won die week overtuigend en hij zei het vooraf, hij kent de leegte maar al te goed.
Michael Phelps, drieëntwintig keer olympisch kampioen, beschreef na vrijwel elke Olympische Spelen een zware inzinking. Zijn vraag transformeerde steeds meer naar: wie ben ik buiten het zwembad? Hij schat dat zo’n tachtig procent van de olympiërs door zo’n post-olympische leegte gaat. De mensen die het allerhoogste hebben aangeraakt en daarna niet weten waar ze naartoe moeten.
Het is de uitkomst van een systeem en het overkomt juist de mensen die het meest toegewijd zijn. Want laten we niet vergeten hoeveel ’talenten’ de uiteindelijke top niet halen, die groep is nog veel groter en daar spelen dergelijke patronen dezelfde cruciale rol, het systeem maakt daarin maar weinig onderscheid.
Hoe zit het nou precies?
Hoe kan het nou dat harder werken, meer je best doen, op een bepaald punt je verder laat afdrijven daarvan? Dat geldt vooral voor de constructen die minder of niet meetbaar zijn. Denk dan aan liefde, geluk, succes, etc. Er spelen zoveel individuele factoren mee en het kent diverse betekenissen en de relatie tussen wat je erin stopt en ervoor terugkrijgt verloopt niet lineair.
De filosoof Alan Watts noemt het de backwards law: hoe harder je probeert iets af te dwingen, hoe minder het lukt. De golfer die die laatste putt moet maken om een succesvolle 18 holes te spelen, de atleet die de nacht voor de finale goed moet slapen en juist daardoor niet in slaap komt. Hoe intenser het verlangen naar de uitkomst, hoe groter de kans dat je verstijft op precies het moment dat het ertoe doet.
Bij veel zaken in het leven levert meer inspanning ook daadwerkelijk meer op. Maar op de diepste laag draait de curve om: rust, liefde, vertrouwen, aanwezigheid, plezier. Daar geldt het omgekeerde: hoe harder je het wil forceren, hoe minder je vast kunt houden. Je kunt liefde niet afdwingen van een ander. De bekende uitspraak van Johan Cruyff sluit hier naadloos bij aan: je gaat het pas zien als je het doorhebt. Alleen dat loslaten is zo beangstigend en dat houdt ons gevangen in wat we doen, dat kennen we, dat voelt veiliger en dus blijven we met lege handen achter.
En dat is precies waarom ‘gewoon harder werken’ je hier niet dichter bij je doel brengt, maar verder van jezelf af. Het is de reden dat de controle die je zo ver heeft gebracht, op dit punt je grootste obstakel wordt.
Denk terug aan Nadal. Wat hem eruit haalde, was niet dat hij zich er nog harder doorheen vocht, dat spel had hij inmiddels volledig uitgespeeld. Het kantelde toen hij iets losliet: zijn manier van kijken, zijn controle op de uitkomst, het idee dat alleen méér de weg was om terug te komen op zijn oude niveau. Pas toen hij stopte met forceren, kwam het spelplezier terug.
De weg terug verloopt niet via je hoofd
Dit is misschien het moeilijkst om te horen voor mensen die gewend zijn problemen op te lossen door ze te begrijpen. Een van mijn bekendste motto’s is niet voor niets geworden: je kunt met je hoofd, je hoofd niet oplossen. Je kunt het analyseren, kaderen en begrijpen en er nog steeds even ver vanaf staan. Soms zelfs verder, want begrijpen kan ook een manier zijn om op veilige afstand te blijven van wat er werkelijk gevoeld dient te worden. Het hoofd is als veilig aangemerkt, dankzij de patronen van hierboven, maar het hoofd weegt inmiddels ook zwaar, is kritisch en stilte in het hoofd is vaak een illusie. We geloven nog te vaak dat wat je denkt ‘waar’ is. En misschien is dat ook waar om het draait: we nemen onze gedachten aan als de waarheid, in plaats van ze te zien als gedachten.
Dat het hoofd zo veilig kon worden, is geen toeval: cognitieve controle is wat het systeem beloonde, wat ‘men’ waardeerden, wat werkte onder druk. Maar datzelfde hoofd wil nu ook het herstel managen: begrijp ik dit, klopt dit, kan ik hier iets mee? Eet ik juiste? Span ik mij genoeg in? Zit ik niet te veel op mijn telefoon? Terwijl het juist gaat om wat aan die filter voorafgaat. En dus gaat het ook om het opnieuw aanleren van een taal. De taal van je eigen lichaam. En leren opmerken wat er in je lijf gebeurt als je spanning voelt, verdragen dat er iets opkomt zonder het meteen weg te duwen of te verklaren.
Voor veel topsporters is dat de moeilijkste prestatie die ze ooit leveren: niet doen, niet oplossen, niet verbeteren, maar ‘gewoon’ aanwezig zijn in wat er is. Een lichaam dat zo gewend is om te gaan, gas te geven, kent deze stand (nog) niet en het voelt onwennig, onveilig en som zelfs als falen.
Het komt goed
Wat ik je wil meegeven is geen belofte en geen garantie. Dat zou tekortdoen aan hoe diep het zit. En er is iets wat ik keer op keer zie bij de topsporters die ik begeleid. Het kan heel klein zijn, een moment waarop iets onprettig voelt en je het dit keer niet wegduwt. Waarop je het deelt, ook al voelt dat spannend, ook al is er nog schaamte, ook al weet je niet hoe het zal landen.
Wat daarna komt bestaat uit golfbewegingen: twee stappen vooruit, één terug. En ergens onderweg begin je te vertrouwen: op wat je voelt, op wat je lichaam zegt, op het proces zelf, op je eigen taal en stem. Je leert jezelf kennen op een manier die geen enkele prestatie je ooit heeft gegeven. Dat werken met mentale en emotionele begeleiding daarbij normaal is, laten steeds meer topsporters zien.
Dat noem ik presteren van binnenuit. Dat betekent niet dat elke emotie er altijd meteen uit moet. Het verschil is dat je de keuze terugkrijgt: iets bewust, en voor even, kunnen parkeren omdat het nu niet uitkomt en er later op terugkomen.
In een systeem dat je heeft geleerd je aanwezigheid uit te stellen tot na de volgende prestatie, is ‘er zijn’ een daad van moed.
En als je bij het lezen ergens dacht ‘dit ben ik’, dan is dat geen diagnose en geen probleem dat opgelost moet worden. Het is het begin van een eerlijker gesprek met jezelf en precies daar begint mijn werk met atleten.
Wil je dieper de mechaniek in? De beweging die ik hierboven beschrijf, gaat van binnen naar buiten. Binnen is de bron, buiten is waar het zichtbaar wordt en presteren is die buitenkant, gevoed van binnenuit. De prestatie is dan geen doel op zich, maar de uitdrukking van wat er vanbinnen leeft. Het loopt mis zodra die richting omkeert: wanneer de buitenkant, het resultaat en de waardering, gaat bepalen wie je vanbinnen bent. Samen met topsporters ontwikkelde ik een model dat precies die omkering laat zien, en hoe ze zichzelf voedt: de prestatiedriehoek.
En in het eerstvolgende artikel zal ik ingaan op wat jij zou kunnen doen om deze beweging vaker te maken, zodat je binnenuit expressie kunt geven naar buiten toe.
Andere blogs
Bekijk alle blogs die ik heb geschreven.

De processen waar iedere topsporter mee te maken krijgt
Het patroon groeit in stilte, zolang het succes brengt. Pijn wegdrukken, all-in gaan, harder werken: het werkt, jarenlang. Tot een blessure, een afwijzing of een sluipende leegte laat zien wat er al die tijd verschoof. Over vier patronen die ik bij bijna elke topsporter tegenkom, en waarom harder werken je er niet uit haalt.

Ubuntu en het succes van O19
Terwijl het grote Oranje op het WK voetbal jaagt op die ene beker die nog ontbreekt in de Nederlandse prijzenkast, blikt Tim Koning terug op de reis die hij maakte met Oranje onder 19. Die ploeg won een jaar geleden de Europese titel in hun leeftijdscategorie. Samen met bewegingswetenschapper Willem-Paul Wiertz analyseert hij het proces, waarin Ubuntu en eigenaarschap centraal staan.