Presteren mét plezier
-
Tim Koning
Leren begint bij reflectie
Het is wereld die we maar al te goed kennen, wanneer we geboren worden. Kinderen zijn in het eerste levensjaar vooral nieuwsgierig. Ze willen aanraken, onderzoeken, proberen en opnieuw proberen. Niet omdat iemand dat van hen vraagt, maar omdat iets hen prikkelt. “Papa, nog een keer.” Die ervaring, het zelf willen leren, vormt de motor van ontwikkeling en geeft richting aan hoe zij zich tot de wereld verhouden.
Leren begint daarmee bij betekenis. Bij de ruimte om te ontdekken wat werkt, wat nog niet lukt en wat uitnodigt tot een volgende stap. Wanneer die ruimte wordt gezien en beschermd, ontstaat een krachtige innerlijke beweging. Een beweging die kinderen helpt vertrouwen te ontwikkelen in zichzelf en in het proces van leren.
Beide stijlen zijn effectief, niet omdat de één beter is dan de ander, maar omdat ze passen bij wie ze zijn. Dat is de essentie: leren herkennen wat jouw manier is om met spanning om te gaan. Niet onderdrukken of forceren, maar afstemmen. Weten wat je nodig hebt, op welk moment, om optimaal te kunnen presteren.
Inhoudsopgave
Home » Presteren mét plezier
Sport als opvoeddomein
Sport is bij uitstek een domein waarin die beweging zichtbaar wordt. Het is een opvoedcontext waarin kinderen en jongeren motorische, sociale en emotionele uitdagingen tegenkomen en waarin ontwikkeling direct voelbaar is. Anders dan op een scherm, laat sport zien waar iemand staat en wat er te ontdekken valt. Vergelijking is aanwezig, eenvoudigweg omdat leren zich ook in relatie tot anderen ontvouwt.
Mede daardoor kan sport een rijke leeromgeving zijn, kinderen leren zich verhouden tot weerstand, tot anderen en tot zichzelf. Ze komen situaties tegen waarin iets (nog) niet lukt en ervaren wat oefenen, proberen en doorzetten betekent en wat het wel/niet kan opleveren op de korte termijn. Van oudsher is competitie binnen sport bedoeld als middel om die ontwikkeling te ondersteunen: als een context waarin je kunt laten zien wat je hebt geleerd en waarin je wordt uitgenodigd om verder te groeien. In die zin biedt sport ervaringen met winnen én verliezen, beide als onderdeel van leren.
In mijn werk (Tim -sportpsycholoog) maak ik topsporters mee die enkel nog kunnen kijken naar wat er beter kan cq. moet en onderweg de kunst van leren van winst en ontwikkeling vergeten zijn, met diverse gevolgen op zowel emotioneel als psychologisch vlak. Leren van winst én verlies maakt de reflectie compleet.
Omdat sport zo’n zichtbare en directe leeromgeving is, krijgt de betekenis die we aan competitie geven extra gewicht. Wanneer vergelijking vooral wordt gelezen als uitnodiging, kan sport ontwikkeling versterken. Wanneer vergelijking verandert in oordeel, verschuift de aandacht. Dan komt de focus meer te liggen op uitkomst dan op proces, op beter zijn dan een ander in plaats van leren.
Wanneer competitie een oordeel wordt
Competitie en winnen worden in de sport vaak in één adem genoemd, terwijl zij verschillende rollen vervullen. Competitie biedt de context waarin sporters zich meten aan zichzelf en aan anderen en zichtbaar maken wat zij hebben geleerd. Winnen en ranglijsten zijn momenten in dat proces: momentopnames die iets laten zien van dat specifieke ogenblik.
In de jeugdsport raken deze begrippen soms sterk met elkaar verweven. Wedstrijden worden dan momenten waarop perspectief wordt toegekend en verwachtingen vorm krijgen. Wat bedoeld was als leeromgeving, krijgt de betekenis van beoordeling. Binnen sommige organisaties wordt dat zelfs expliciet benoemd: de groten krijgen ruimte, de rest vult het veld.
Die verschuiving heeft invloed op hoe sport wordt beleefd. Wanneer winnen zwaar weegt, krijgt de wedstrijd een ander karakter. Fouten voelen dan minder als informatie en meer als iets dat vermeden moet worden. Experimenteren maakt plaats voor voorzichtigheid, terwijl leren juist floreert bij ruimte om te proberen. Zo verschuift de aandacht geleidelijk van ontwikkeling naar bevestiging en kleuren binnen de lijntjes.
Vergelijking verliest daarmee haar rol als inspiratiebron (want dat kan het ook zijn!) en wordt een maatstaf om waarde toe te kennen. Theodore Roosevelt vatte dat treffend samen met de woorden: comparison is the thief of joy. Niet omdat vergelijken onwenselijk is, maar omdat het, wanneer het tot oordeel verhardt, de ruimte om op eigen tempo te groeien verkleint.
Competitie krijgt zo een betekenis die zij niet hoeft te dragen. Terwijl verlies of een lagere plek op een ranglijst eenvoudigweg een onderdeel kunnen zijn van leren of waar iemand op dit moment in zijn/haar proces staat. Ontwikkeling ontvouwt zich zelden rechtlijnig en laat zich niet samenvatten in één uitslag. Wanneer we die ruimte blijven zien, kan competitie haar oorspronkelijke rol behouden: een bedding voor groei.
De illusie van voorspelbaarheid
We weten al lang dat ontwikkeling zich grillig en persoonlijk ontvouwt. Onderzoek en praktijk laten zien dat prestaties op jonge leeftijd weinig succesgarantie bieden voor de toekomst. Tegelijkertijd blijft de jeugdsport sterk leunen op vroege signalen: momenten waarop individuele prestaties zichtbaar worden en betekenis krijgen. Selectie vindt plaats, perspectief wordt toegekend en verwachtingen krijgen vorm. Dat gebeurt niet uit onwetendheid, maar vanuit de behoefte aan richting in een complex proces.
Die behoefte wordt vaak ondersteund door bekende sportverhalen. Er zijn sporters die al jong opvielen en zich bleven ontwikkelen. Hun trajecten worden iconisch en geven een richting. Tegelijk zijn er sporters bij wie vroege erkenning veel druk met zich meebracht en de ruimte om te groeien juist verkleinde. En er zijn de vele verhalen van sporters die zich in hun eigen tempo ontwikkelden en pas later opvielen. Samen laten deze verhalen vooral zien hoe veelzijdig ontwikkeling kan verlopen. En los van de verhalen die we kennen, veel verhalen worden nooit verteld omdat kinderen niet de kans kregen om hun potentieel te ontwikkelen.
Dat we blijven zoeken naar voorspelbaarheid, is menselijk. Onzekerheid vraagt iets van ons. Het brein zoekt naar patronen en houvast en vroege prestaties bieden dat. Ze helpen keuzes te maken, verwachtingen te ordenen en richting te geven. Daarbij zijn we geneigd vooral die signalen op te merken die aansluiten bij ons bestaande beeld. Zo ontstaat een narratief in ons brein dat zichzelf vooral wil versterken.
Het gevolg is dat prestaties van kinderen soms worden gelezen als vensters op hun toekomst. Momentopnames krijgen betekenis die verder reikt dan dat moment. Daarmee vertellen die prestaties uiteindelijk veel over onze behoefte aan duidelijkheid en minder over het ontwikkelpotentieel van kinderen. Dat nodigt uit tot een andere vraag: wat laten individuele prestaties werkelijk zien en hoe kunnen we ze zorgvuldig duiden?
Wat prestaties ons vertellen
Individuele prestaties zijn zichtbaar, meetbaar en concreet. Wedstrijden, tijden, doelpunten en overwinningen geven daarmee richting en houvast. In de jeugdsport worden ze daardoor vaak gebruikt als indicatoren voor aanleg en perspectief. Tegelijk is het helpend om stil te staan bij wat deze prestaties precies weerspiegelen.
Prestaties laten dus zien waar iemand op dit moment staat. Ze vertellen iets over ervaring, over hoe goed iemand zich verhoudt tot de huidige structuur en over hoe iemand zich tot nu toe heeft aangepast aan de context. Ze zeggen iets over timing en omstandigheden. Wat ze minder laten zien, is hoe iemand zich ontwikkelt wanneer omstandigheden veranderen, wanneer nieuwe uitdagingen zich aandienen of wanneer de lat anders komt te liggen.
Wanneer prestaties worden gezien als signalen van toekomstig potentieel, krijgen ze een sturende werking. Kinderen die vroeg succes ervaren, krijgen ruimte en vertrouwen maar ervaren vaak vanaf jonge leeftijd ook al meer druk. Kinderen die later tot bloei komen, hebben soms meer tijd nodig om zichtbaar te worden en blijven langer onder de radar. Zo beïnvloeden prestaties niet alleen hoe we kijken, maar ook hoe ontwikkelroutes zich ontvouwen.
Het helpt om prestaties te zien als tussenstanden. Als informatie binnen een langer proces. Dan worden ze geen eindpunten, maar richtingwijzers die uitnodigen tot afstemming. Prestaties behouden zo hun waarde, zonder dat ze het hele verhaal hoeven te vertellen.
Groei vraagt ontwerp
Wanneer we prestaties begrijpen als momentopnames en ontwikkeling als een proces, vraagt groei om een omgeving die dat ondersteunt. In de jeugdsport betekent dat: structuur biedt houvast, maar ontwikkeling ontstaat in de manier waarop die structuur wordt ingevuld. Het aanpassen van competitieformats of het loslaten van ranglijsten kan ruimte creëren, mits die ruimte bewust wordt benut.
Ontwikkeling komt tot stand waar uitdaging en vaardigheid elkaar ontmoeten. Dat vraagt om afstemming en om ruimte om te oefenen. Falen hoort daar vanzelfsprekend bij, als informatie die richting geeft aan de volgende stap. In zo’n omgeving mag leren zichtbaar zijn, ook wanneer prestaties tijdelijk schommelen. Juist daarin ontstaat verdieping.
Dat vraagt een benadering waarin kwaliteit vooropstaat. Waar sporters betrokken worden bij hun leerproces, waar verschillen in tempo en richting welkom zijn en waar doelen uitnodigen tot ontwikkeling. Ontwerp gaat hier over het creëren van omstandigheden waarin leren kan floreren, niet over het vastleggen van uitkomsten.
Een groeigerichte omgeving nodigt begeleiders uit om vertrouwen centraal te stellen. Om ruimte te laten voor het proces en om te zien dat vooruitgang zich niet altijd meteen laat meten. Wanneer die ruimte er is, kan sport haar opvoedende kracht volledig benutten en haar plek als belangrijk onderdeel van de samenleving voor het geluk en welzijn van jeugdigen claimen.
Het ongemak leren dragen
De kernvraag die onder dit alles ligt, is wat dit vraagt van volwassenen. Want onzekerheid kent vele gezichten. Het is een uitnodiging aan ons om ruimte te maken voor variatie, voor tijd en voor ontwikkeling die zich ontvouwt op een termijn die we vaker niet dan wel kunnen voorspellen. Kinderen bewegen zich van nature richting groei, wanneer de omgeving dat ondersteunt.
In de jeugdsport zoeken we soms naar systemen die overzicht en rust beloven. Ranglijsten, selectiemomenten en voorspellingen geven houvast. Ook wij herkennen hoe aantrekkelijk die duidelijkheid kan zijn. Tegelijk nodigt oog voor groei uit tot een ander perspectief: het vertrouwen dat ontwikkeling zich niet laat haasten, maar wel laat begeleiden.
Wie groei centraal wil stellen, neemt het voortouw in het verdragen van onzekerheid. Trainers, ouders, opleiders en beleidsmakers kunnen samen bouwen aan omgevingen waarin verschillen in tempo en richting vanzelfsprekend zijn. Waar niet elk moment hoeft te worden geduid en waar leren de ruimte krijgt om zich te tonen.
De kernopgave van de jeugdsport ligt daarmee in het verdiepen van naar onszelf kijken. Niet door ambitie los te laten, maar door haar te richten op wat werkelijk duurzaam is: de ruimte om te worden wie je kunt zijn.
Wat te doen?
Om de structuurwijzigingen die steeds meer sportbonden doorvoeren optimaal te benutten liggen er kansen bij trainer/coachopleidingen, ouders en de samenwerking tussen sport en onderwijs.
1) We pleiten voor een radicale verandering van trainer/coach opleidingen. Pas als je het brevet ‘pedagogisch bekwaam hebt behaald mag je verder met methodiek. Het ‘hoe’ van een training en begeleiding van een jonge sporter verdient veel meer aandacht. Sportpedagogiek en sportpsychologie zijn geen extra moeten een integraal onderdeel worden binnen bestaande opleidingen. Dit vergt in de eerste plaats een bijscholing van diegenen die binnen bonden trainers/coaches opleiden.
2) Met name op jonge leeftijd (12 jaar) spelen ouders een cruciale rol, nog belangrijker en groter dan de trainer/coach. Met het ouder worden neemt de rol van de ouder af maar ongeacht de fase waarin een sporter zich bevindt, blijft de ouder een wezenlijke rol spelen. Ouders moeten door de sport niet enkel als onderdeel van het systeem worden gezien maar veel actiever worden betrokken. Dat kan onder andere door ouders structureel voor te lichten, fysiek dan wel digitaal via bijvoorbeeld social media, en hun rol te duiden. Sportbonden kunnen hier samen in optrekken, onder regie van NOC*NSF.
3) De samenwerking tussen sport en onderwijs biedt kansen die nog bij lange na niet ten volle worden benut. Onderwijs is van nature veel meer gericht op ontwikkelen dan de sport. In het onderwijs worden kinderen op hun eigen niveau uitgedaagd, bijvoorbeeld via Plus opdrachten of juist remedial teaching. De kennis en vaardigheden aanwezig in het onderwijs kunnen de sport versterken. Dat kan via een Topsport Talentschool. Dat zijn scholen die nu al talentvolle en topsporters ondersteunen om hun sportieve ambities waar te maken maar ook reguliere scholen bieden voldoende kansen. Dat vergt dat we het kind centraal stellen en niet het onderwijs of de sport. De begeleiding op scholen verder moet gaan dan het faciliteren van het combineren van school en sport. Juist het onderwijs kan ondersteuning bieden in het ontwikkelen van generieke vaardigheden.
Tot slot
Andere blogs
Bekijk alle blogs die ik heb geschreven.

Men’s Health Column: De leegte na de piek
Merk je dat je blijft pushen of dingen uitstelt, en is harder werken jouw go-to? Lees dan vooral verder.

Presteren mét plezier
Samen met Sebastiaan Platvoet werd ik geïnterviewd voor Trouw. Waar ligt de balans tussen presteren en plezier?